Welzijn

Wat is welzijn?

Daar zijn verschillende definities voor, maar de meest gebruikte definitie is:

De toestand van het dier, zoals deze wordt ervaren door het dier.

Dat wil zeggen dat een paard verkeert in een staat van goed welzijn wanneer het in staat is zich actief aan zijn levensomstandigheden aan te passen en daarmee een toestand kan bereiken die het als positief ervaart.

Om dit te kunnen bereiken moeten langdurige negatieve ervaringen worden vermeden en positieve ervaringen worden bevorderd. En dit kan van toepassing zijn in acute situaties, maar ook op de lange termijn.

Nu hebben mensen de neiging om voor dieren ook te denken vanuit het oogpunt van de mens. Als de temperatuur bijvoorbeeld rond het vriespunt is gezakt, vinden veel mensen het koud, dus denken ze dat een paard het ook wel koud zal hebben. De thermoneutrale zone van een paard (de temperatuur waarbij hij zich het meest comfortabel voelt), is echter heel anders dan die van een mens. Dus bij het bepalen van het welzijn is het van belang om te denken als een paard en niet te denken voor een paard.

De vijf vrijheden en het “Vijf Domeinen Model”

Brambell is in 1965 begonnen met onderzoek doen naar de vrijheden van het dier heeft deze uitgewerkt in de “Vijf Vrijheden”:

  • Dieren zijn vrij van honger en dorst
  • Dieren zijn vrij van ongemak
  • Dieren zijn vrij van pijn, verwonding en ziekte
  • Dieren zijn vrij van angst en stress
  • Dieren zijn vrij om normaal gedrag te vertonen

Deze vrijheden zijn inmiddels ook vastgelegd in de Wet Dieren. En ze vormen de basis van het huidige “Vijf Domeinen Model” van Mellor et al. (1994).

Het “Vijf Domeinen Model” bestaat uit:

  1. Voeding
  2. Fysieke omgeving
  3. Gezondheid
  4. Gedrag en interactie
  5. Mentale staat

Hoe kun jij bijdragen aan welzijn op het gebied van voeding?

  1. Voer in meerdere porties per dag

Paarden hebben een ander voedingspatroon dan mensen. Paarden hebben naar verhouding een kleine maag en geen galblaas, daarom eet een paard niet net als een mens in maaltijden, maar eigenlijk de hele dag door kleine beetjes. In de vrije natuur past het paard het “hapje-stapje-principe” toe en op deze manier is een paard zo’n 16 uur per etmaal bezig met fourageren (eten).

Het is voor een paard belangrijk dat de maag altijd gevuld blijft en daarom is het wenselijk om maximaal 6 uur tussen de voerbeurten te hebben als het paard niet onbeperkt toegang kan hebben tot ruwvoer.

Het is goed om te weten dat een paard alleen speeksel aanmaakt door te kauwen. Naast dat het speeksel ervoor zorgt dat het voedsel makkelijker door de slokdarm kan glijden, zorgt het speeksel er ook voor dat het maagzuur geneutraliseerd wordt. Een paard maakt namelijk wel de hele dag maagzuur aan, omdat hij in de vrije natuur bijna de hele dag zou eten. Te veel maagzuur kan zorgen voor maagzweren.

  1. Voer ruim voldoende ruwvoer

Het hoofdbestanddeel van de paardenvoeding is ruwvoer, zoals bijvoorbeeld hooi, voordroogkuil en gras. Dit moet van goede kwaliteit zijn, dus niet muf ruiken, stoffig of beschimmeld. Je kunt aan het ruwvoer zelf niet zien wat voor voedingsstoffen erin zitten en hoeveel. Daarvoor kun je analyses uit laten voeren.

De richtlijn is dat een paard 1 kilogram droge stof per 100 kilogram lichaamsgewicht moet krijgen aan minimale hoeveelheid ruwvoer. Als een paard alleen ruwvoer krijgt, moet dit meer zijn. (zie ook Voeding)

  1. Krachtvoer

Als je alleen maar ruwvoer voert, weet je niet zeker of je paard van alle benodigde voedingsstoffen voldoende binnenkrijgt. Je kunt dit aanvullen met krachtvoer zoals bijvoorbeeld brokken of muesli, maar ook het voeren van een balancer met vitaminen en mineralen is een mogelijkheid.

Voor de spijsvertering is het van belang dat je eerst ruwvoer geeft, voordat je krachtvoer gaat geven.

4. Ieder paard is anders…

Er zijn richtlijnen voor het voeren van paarden, maar ieder paard is een op zichzelf staand individu met individuele behoeften. Het is dus van belang dat je altijd goed naar je paard blijft kijken. Wordt hij te dik? Is hij te mager? Wordt hij slomer? Vraag dan advies van een voedingsdeskundige.

5. Water

Een paard moet altijd toegang hebben tot vers water. Zorg er voor dat je dagelijks de waterbakken controleert of ze gevuld zijn/werken en of ze schoon zijn.

 

Hoe kun jij bijdragen aan het welzijn in de fysieke omgeving van je paard?

  1. Zorg voor sociaal contact

Eén paard is geen paard! Een paard hoort niet alleen te staan. Bij voorkeur staan ze bij elkaar in een groep, zodat ze fysiek contact met elkaar kunnen hebben. Belangrijk is daarbij wel dat ze voldoende ruimte hebben om ook afstand van elkaar te kunnen nemen.

Als paarden niet samen kunnen staan, moeten ze in ieder geval andere paarden kunnen zien.

2. Zorg voor voldoende (vrije) beweging

Het is fijn als je paard zoveel mogelijk vrije beweging kan krijgen in de vorm van weidegang of in een paddock. Maar ook rijden, longeren en wandelen, etc. zijn vormen van beweging voor een paard. In de vrije natuur legt een paard dagelijks zo’n 10 tot 15 kilometer af.

Beweging is echt essentieel voor de gezondheid van je paard! Het bevordert de bloedcirculatie, mede door het hoefmechanisme dat alleen werkt door in beweging te zijn. Maar ook het lymfestelsel, de spijsvertering, het spier- en ademhalingsstelsel functioneren beter bij voldoende beweging.

Staat je paard in de wei, zorg er dan wel voor dat hij beschutting heeft voor regen, wind en zon. Een afdak voldoet dan beter dan een rij bomen of iets dergelijks. Een beetje regen is niet erg, maar bij langdurige regen zul je wel maatregelen moeten treffen, net als bij heet zomerweer en felle zon.

 

3. In de stal

De afmetingen van de stal moeten zodanig zijn dat het paard zich vlot kan omdraaien, languit kan liggen en ook weer kan opstaan. Daarnaast is een hoog plafond goed voor de ventilatie, omdat er voldoende luchtcirculatie kan plaatsvinden. Frisse lucht is erg belangrijk voor paarden. Probeer daarom ook werkzaamheden als opstrooien en vegen zoveel mogelijk te doen als het paard niet in de stal staat.

Stands waarbij een paard permanent staat vastgebonden, zijn als huisvesting verboden.

Het heeft de voorkeur dat paarden ook op stal elkaar kunnen zien en waar mogelijk zelfs contact met elkaar kunnen hebben via bijvoorbeeld een (half) open stalwand.

Blijf hierbij wel op je paard letten, sommige paarden voelen zich prettiger bij een dichte stalwand met de buren.

Om het paard comfortabel te kunnen laten liggen, moet de stal voorzien zijn van voldoende, droge bodembedekking. Als je jezelf op je knieën op de stalbodem kunt laten vallen zonder dat het pijn doet, heb je voldoende bodembedekking.

Als je paard boxrust heeft, of misschien wat minder lang vrije beweging kan krijgen, dan kun je kijken of je je paard misschien een bal met snoepjes of een hooinet kunt geven om wat bezigheid te hebben op stal. Als een paard oncomfortabel wordt op stal zal hij makkelijker stalondeugden gaan ontwikkelen (weven, kribbebijten, e.a.). Stalondeugden zijn niet besmettelijk en paarden nemen het gedrag ook niet van elkaar over, maar als meerdere paarden op een stal ondeugden hebben, is dat een teken dat de huisvesting niet in orde is. Stalondeugden onderdrukken met allerlei middelen is niet de oplossing, maar geeft juist alleen maar meer stress.

4. Veiligheid

 Je wilt voorkomen dat je paard verwondingen oploopt in en rond de stal of in de wei.  Zorg er daarom voor dat er nergens uitsteeksels of voorwerpen zijn waar het paard zich aan kan verwonden. Controleer hier ook regelmatig op door alles eens langs te lopen. En ruim materiaal zoals een mestvork zoveel mogelijk meteen na gebruik op, klap zadelsteunen in/weg als ze niet meer nodig zijn en houd de poetsplaats vrij van zaken die daar niet nodig zijn. Zorg dat je afrastering uit veilig materiaal bestaat, in ieder geval zeker geen prikkeldraad of schapengaas.

 

Hoe kun jij bijdragen aan het welzijn van je paard op het gebied van gezondheid?

  1. Basiscontrole

Zorg dat je je paard goed kent, want dan zul je sneller opmerken dat er iets anders is dan normaal. In ieder geval is het fijn als je de normale PAT-waarden (Pols, Ademhaling, Temperatuur) van je paard weet. Neem ze daarom een tijdje op een vast tijdstip op en noteer de gemeten waardes. Als je weet wat de normale waardes zijn, dan weet je ook wanneer iets afwijkend is. Als jouw paard bijvoorbeeld in rust normaal een hartslag van 28 heeft en bij ziekte ineens 45, dan is dat verschil groter dan wanneer jouw paard in rust normaal een hartslag van 40 heeft.

De normaalwaarden PAT zijn:

Pols: 25-40 slagen per minuut

Ademhaling: 9-12 keer per minuut

Temperatuur: 37,5 – 38,3 graden Celsius.

 

Observeer daarnaast ook regelmatig het gedrag van je paard, zodat je het leert kennen en afwijkingen sneller gaat zien. En natuurlijk doe je dagelijks een optische controle op wondjes, dikke benen en andere zichtbare afwijkingen.

Ook is het goed om te checken hoe je paard eet, maakt hij bijvoorbeeld propjes van zijn eten? Of laat hij zijn eten liggen? En ook de mest is goed om regelmatig even een keer te checken; is het dun, zitten er grote resten ruwvoer in, of misschien wel wormen?

2. Wie moeten er allemaal langs komen?

Om te beginnen de hoefsmid. De richtlijn hiervoor is eens in de 6 tot 8 weken, maar dit is afhankelijk van meerdere factoren. Daarnaast moet een paard zeker eens per jaar door een gebitsverzorger of paardentandarts worden gecontroleerd. En je moet je zadel regelmatig op pasvorm laten controleren. Hoe vaak precies, dat is afhankelijk van de leeftijd en training van je paard. Paarden in de groei en in de training zullen veranderen in de bespiering en dan zijn er aanpassingen aan het zadel nodig. Een slecht passend zadel voor het paard is als slecht passende schoenen voor jou.

Ook kan het raadzaam om je paard regelmatig een keer door een sportmasseur of dierenfysiotherapeut te laten controleren. Blessures voorkomen is nog altijd beter dan genezen! Is je paard ziek of kreupel? Dan bel je natuurlijk meteen de dierenarts. 

De meeste beroepen van mensen die met paarden werken, zijn niet beschermd, dus dat wil zeggen die iedereen zichzelf bijvoorbeeld hoefsmid zou mogen noemen. Voor verschillende beroepen zijn beroepsverenigingen opgericht, dus als je opzoek bent naar bijvoorbeeld een goede gebitsverzorger, kijk dan of deze is aangesloten bij een beroepsvereniging.

Zo ja, dan kun je ervan uitgaan dat deze persoon een gedegen opleiding heeft gevolgd en zich regelmatig laat bijscholen.

3. Vaccineren en ontwormen 

Dit hoort bij de preventieve gezondheidszorg van je paard. Meer informatie hierover kun je vinden in hoofdstuk Gezondheid

4. Tastharen

De tastharen rondom de neus, mond en ogen hebben een functie. Deze mag je dan ook nooit verwijderen of inkorten. Een paard kan niet zien wat er zich onder zijn neus bevindt en de tastharen rondom de mond en neus helpen hem bij het zoeken naar voedsel of het verkennen van de omgeving.

Ook de haren in de oren hebben een functie, daarom mag je de oren ook niet uitscheren. Paarden hebben gevoelige oren en de haren dempen het inkomende geluid, maar beschermen ook tegen insecten en weersinvloeden.

5. Belastbaarheid 

Het is belangrijk om te bepalen wat een paard wel of niet aankan. Dat zal niet voor ieder paard hetzelfde zijn. Uiteraard ga je niet werken met een paard dat niet fit of kreupel is. En bij een fit paard kijk je naar wat op dat moment het fysiek en mentaal aan kan, daarbij kunnen onder meer leeftijd en de staat van training een rol spelen. Met een paard dat nauwelijks gereden wordt, ga je niet ineens een pittige rit van een paar uur maken bijvoorbeeld. Probeer je te verdiepen in de fysieke en mentale leerprincipes van het paard en vraag hier zo nodig hulp bij van een goed opgeleide instructeur.

Voor het gewicht van de ruiter (inclusief harnachement) wordt vaak de richtlijn gebruikt van maximaal 20% van het lichaamsgewicht van het paard. Dit is geen harde grens, ook hierbij moet gekeken worden naar andere factoren, zoals de fysieke conditie van het paard (een dik paard kan geen zwaardere ruiter dragen!), de rijvaardigheid van de ruiter en de mate van inzet. Maar als het algemene “plaatje” niet klopt, mag je ervan uitgaan dat een ruiter te zwaar is voor het betreffende paard. En datzelfde geldt voor een aanspanning, het plaatje moet kloppen.

Kijk anders eens op https://www.paardenarts.nl/kennisbank/body-condition-score-bcs-weet-jij-of-je-paard-wel-of-niet-te-dik-is/

 

edrag en interactie

Er is hierbij sprake van interactie met de omgeving, andere dieren en met de mens. De interactie met de omgeving en andere dieren zijn al eerder nader benoemd.

Als eigenaar, verzorger en ruiter of menner heb jij verantwoordelijkheid naar je paard. Je moet niet alleen in zijn basisbehoeften voorzien, maar je moet hem ook leren “lezen”. Vertoont jouw paard ander gedrag? Ga dan op onderzoek uit waar het vandaan komt. Als je paard bijvoorbeeld ineens niet meer stil staat bij het opstappen, kan dit betekenen dat er iets aan de hand is, bijvoorbeeld een gevoelige rug. Zorg er dus altijd voor dat je eerst fysieke oorzaken van gedrag uitsluit. Paarden doen namelijk nooit “zomaar” iets!

Hoe weet je nu of je paard pijn heeft? Dat is soms best lastig te bepalen. Paarden zijn prooidieren en zullen daarom pijn niet makkelijk laten zien. Dat maakt ze immers kwetsbaar voor roofdieren. Een kreupel paard heeft pijn, dat is duidelijk zichtbaar. Maar een paard kan ook heel veel kleine signalen geven, bijvoorbeeld:

  • Niet eten
  • Opgetrokken buik
  • Doffe ooguitdrukking
  • Lusteloosheid
  • Strakgespannen lippen
  • Zwiepen met de staart
  • Oren naar achteren
  • Spanning op de spieren rondom de kaak
  • Open mond tijdens het rijden
  • Gespannen bovenooglidspier (er ontstaat een hoekje)

Niet ieder van de bovengenoemde signalen hoeft echter meteen op pijn te duiden. Het blijft belangrijk om altijd naar het hele paard, dus het totale plaatje, te kijken.

Meer lezen?

Gids voor goede praktijken 

Protocol extreme temperaturen

Pijn herkennen bij paarden