Algemeen – Het paard

Paarden groeiden vroeger op in kuddeverband, met een leider. De veulens werden door de ouderen opgevoed, en deze sociale interactie was en is zeer belangrijk om uit te kunnen groeien tot een evenwichtig paard. Dat merk je als je met een paard omgaat. Hij reageert anders dan wij vaak denken.

Daarom is het belangrijk je te verdiepen in de eigen wereld van het paard en in zijn gedrag naar andere paarden, maar daarmee ook naar ons.

Door het paard te verzorgen en te observeren leer je het paard en zijn signalen beter kennen en begrijpen, en het paard jou en jouw (vaak onbewuste) signalen.

Een paard reageert op jou hetzelfde als op zijn soortgenoten. Hij heeft ontzag voor een leider, en daarom is beter als je je als een leider opstelt, om veilig met het paard te kunnen omgaan.

Daarnaast is het paard een gewoontedier. En die eigenschap gebruiken we natuurlijk om het paard dingen te leren.

Vluchtgedrag

Paarden leven van nature in een kudde met een leider. Als een paard denkt dat er een gevaarlijke situatie is, dat kan een ongewoon geluid, geur of rare vorm zijn, zal hij proberen weg te rennen, en dat kan naar voren zijn, maar ook terug de andere kant op, of opzij. En de andere paarden gaan niet eerst kijken wat er aan de hand is, maar die gaan vaak gewoon mee.

Daarbij is het gezichtsvermogen van het paard heel anders dan het onze. Een paard kan tegelijk dichtbij en veraf scherp zien en kan ook – vanwege de stand van zijn ogen – ook veel opzij zien.

Een paard kan echter minder in perspectief zien, ook weer vanwege de stand van zijn ogen. Daarom zal hij proberen een vreemd voorwerp met beide ogen te bekijken en dus zijn hoofd en hals bewegen om het beste gezichtsveld te zoeken.

Een paard kan natuurlijk niet achter zich kijken zonder zich om te draaien, maar ziet wel eerder iets van achter aankomen. Hij kan daarvan schrikken en daarom moet je altijd bijvoorbeeld met je stem laten weten als je een paard van achter benadert, of als er een fiets of jogger van achteren nadert. Maar ook een wapperende jas of sjaal die hij in zijn ooghoek ziet, kan een aanleiding zijn om op de vlucht te slaan.

 Rangorde

In de kudde heerst een vaste rangorde. Paarden willen dus bij elkaar blijven, maar moeten wel rekening houden met hun plaats in de kudde. Dit is ook belangrijk als je met meerdere – vreemde – paarden en ruiters rijdt. Sommige paarden willen dan de rangorde bepalen door te bijten of te slaan. Vaak zie je dit als ruiter al snel aan de oren – die gaan plat naar achter vlak voor hij uithaalt.

Een paard wat bekend staat om slaan naar andere paarden moet een rode strik in de staart, zodat anderen die het paard niet kennen, hiermee rekening kunnen houden.

Maar dat betekent ook dat je paard bij zijn soortgenoten wil blijven en dus soms moeilijk te overtuigen kan zijn weg te gaan van een groep paarden, van stal of van ruiters of menners die je onderweg tegenkomt.

Dit verklaart ook meteen waarom jij je als leider moet opstellen. Je paard kan jou als leider dan vertrouwen, maar zal je ook volgen en respect voor je hebben.

Paarden zijn heel goed in het lezen van elkaars lichaamstaal, maar ook in onze – vaak onbewuste – lichaamstaal. Als je dus eigenlijk toch onzeker of bang bent, merkt het paard dat meteen.  Hij kan dan ook onzeker en angstig worden, of juist de leidersrol van je overnemen. En dat is natuurlijk niet de bedoeling.

Als een paard bijvoorbeeld “per ongeluk” op je voet gaat staan, wil hij daarmee eigenlijk zeggen dat hij de baas is.

Consequent zijn is belangrijk in je omgang met het paard. Hij weet dan wat er van hem verwacht wordt, en kan jou vertrouwen als leider. Iets wat je vandaag toestaat, bijvoorbeeld het touw uit je hand trekken of een wortel uit je jaszak halen, zal hij morgen weer proberen. En dan kan het wel eens lastig of zelfs gevaarlijk worden.

Geheugen:

Een paard heeft een heel goed geheugen. Zijn gedrag wordt mee bepaald door goede en slechte ervaringen uit het verleden. Is hij een keer erg geschrokken van een tractor of vrachtwagen, dan zal hij de volgende keer op zijn hoede zijn. Als jij dit goed op kunt lossen, door hem bijvoorbeeld naar een veiligere plek zoals een oprit te sturen, zal hij zijn angst geleidelijk aan overwinnen.

Als je met paarden omgaat, moet je dus altijd goed opletten en zowel je paard als je omgeving in de gaten houden, zodat je tijdig kunt ingrijpen. Goed omgaan met paarden en rijden leer je niet (alleen) uit lesboeken, maar juist vanuit de praktijk.

Slim of niet?

Een paard leeft in de dag. Hij reageert op zijn omgeving en dus op jou.

Houd jij je teugels bij een paard wat een keer geschrokken opzij gesprongen is, wat strakker vast, dan kan hij proberen onder die teugeldruk uit te komen door – weer opzij te springen. Jij bent dan even uit balans en hij is los van de druk.

Een paard kan ook niet doen alsof, bijvoorbeeld net doen of hij kreupel is, omdat hij niet wil rijden. Tenzij hem dit aangeleerd is natuurlijk.

Er is een onderzoek gedaan waarbij paarden zagen dat er een wortel verstopt werd, maar er niet bij konden komen. Er stond wel een verzorger tussen de wortel en de paarden. En wat deden die paarden: ze probeerden de aandacht van de verzorger te trekken, zodat hij ze de wortel zou brengen.

Zagen de paarden dat de verzorger niet gezien had dat er een wortel verstopt was, dan gaven ze grotere en duidelijkere signalen (kijken, aanraken of duwen)

Een paard kan jou dus om hulp vragen.

Een paard herkent je aan je stem en aan je gezicht. Hij heeft een uitstekend langetermijngeheugen en hij zal je niet makkelijk vergeten. Maar ook commando’s – of zijn naam – onthoudt hij prima.

Je paard geeft signalen (lichaamstaal) af, soms subtiel, soms minder subtiel, en het is belangrijk deze signalen te herkennen.

Lichaamstaal:

Hoofd:
plotseling schudden:irritatie
plotseling het hoofd draaien of hoog houden: signaleert mogelijk gevaar

Oren:
extra rechtop: waakzaam
hangend: vermoeid, lusteloos
plat in de nek: boosheid, agressie
naar achter gedraaid: onderdanig of luisteren

Staart:
opgeheven: opgewonden
zwiepend: boos
plat tegen de benen: bang

Benen:
schrapen of kappen met voorbeen: ongeduldig
opheffen voor- of achterbeen: dreigen
achterhand naar je toedraaien: verdedigen- afwijzen

Neus:
naar je toe met gesloten mond: onderzoekend
neusvleugels optrekken: opwindende geur

Mond/Tanden:

  • kauwen (zonder te eten): onderdanig
  • ontbloten: klaar om te bijten
  • knabbelen aan ander paard: onderling vertrouwen, elkaar groomen
  • dit gebeurt ook vaak als je het paard aan het poetsen bent. Let wel op, hij doet dat niet altijd heel zachtjes….

De bouw van het paard.

Uiteraard wil je zo lang mogelijk kunnen genieten van je paard. Een gezond en goed gebouwd paard heeft dan al een voorsprong op een paard met een gezondheidsprobleem of afwijkende bouw.

Natuurlijk is de bouw ook van belang voor het doel waarvoor je het paard wilt gaan gebruiken: wil je gaan rijden, mennen, dressuur, springen of endurance, western, eventing, jachten, of ontspannen buitenrijden.

Afwijkende beenstanden kunnen voor bepaalde takken van de paardensport geen direct probleem geven, maar realiseer je wel dat een (sterk) afwijkende beenstand kan zorgen voor slijtage aan pezen en gewrichten.

Het paard heeft de volgende zintuigen:

 Reuk: dit is het sterkt ontwikkelde zintuig. Een paard ruikt veel beter dan een mens, daarom wil het paard ook vaak ruiken aan een vreemd voorwerp. De geur is belangrijk bij het zoeken naar – niet giftig – eten.

Gehoor: het gehoor is goed ontwikkeld. Een paard kan door zijn oren te draaien de bron van het geluid bepalen. Ook kan hij een geluid opvangen tot 4 kilometer ver! Daarnaast hoort hij ook hele hoge én hele lage tonen, die wij niet kunnen waarnemen.

 

Gevoel: het paard voelt met zijn huid, maar nog meer met zijn lippen (tastharen) oren, schoft, liezen en onderbuik. Een paard voelt warmte, kou en pijn. De pijngrens ligt lager dan bij de mens, en pijn uit zich vaak in afwijkend gedrag.

 

Smaak: de smaak is vrij goed ontwikkeld, maar paarden hebben zeker een eigen voorkeur voor bepaalde smaken.

Zicht: het zicht is het minst ontwikkeld. De gezichtshoek is groot, maar het paard moet zijn hoofd draaien om goed te kunnen kijken. Een mens ziet beter en kan ook beter afstanden inschatten (springen). In het donker ziet een paard beter dan de mens. De snelle overgang van licht naar donker en andersom is voor een paard moeilijk. Ook kleuren worden anders waargenomen.

Rijd je vandaag langs een boomstronk aan de rechterkant, dan heeft hij dat gezien en is dat prima. Rijd je morgen vanaf de andere kant langs dezelfde boomstronk, dan ziet hij dat voornamelijk met het andere oog, en is het weer helemaal “nieuw”.

Karakter: Het paard is een kuddedier met vluchtgedrag met een goed geheugen. Is hij vandaag geschrokken op een bepaalde plaats, dan zal hij morgen al bij voorbaat op diezelfde plek reageren.

Over het algemeen zijn paarden gewillig en gehoorzaam. Soms proberen ze echter het initiatief te nemen. Consequent belonen en corrigeren zijn belangrijk voor de africhting. Dit moet direct na het goede of juist foute gedrag gedaan worden, zodat het paard snapt wat het goed of verkeerd heeft gedaan. Zo stelt dit goede geheugen ons in staat het paard af te richten en oefeningen aan te leren.

 

Signalement

Het is natuurlijk belangrijk te weten hoe je een paard kunt herkennen. Dat doe je door de volgende kenmerken te benoemen:

G       Geslacht (merrie, ruin, hengst)

R       Ras en type

H       Hoogte (stokmaat)

O       Ouderdom (leeftijd)

K       Kleur

A       Aftekeningen

 

Tegenwoordig moeten alle paarden gechipt zijn, en aan de hand van de chip en het bijbehorende paspoort kun je de gegevens controleren. Toch is het handig als je een beetje een indruk hebt hoe het gebit van een paard zich ontwikkelt.

Een paard wisselt zijn tanden als volgt:

2,5 jaar   binnentanden

3,5 jaar   middentanden

4.5 jaar   buitentanden

Paardentanden blijven groeien, en gaan schuiner naar voren in de mond staan naarmate het paard ouder wordt.

 

De stokmaat (hoogte) wordt gemeten vanaf het hoogste punt van de schoft van het paard met een speciale meetlat. Het paard moet dan op een gelijke, harde ondergrond staan.

 

Bij ras en type denk je aan het ras zelf (volbloed, fries, haflinger, quarter horse etc.) of aan het type (warmbloed, koudbloed)

 

Kleur en aftekeningen: de hoofdkleur van de vacht: bruin, zwart, schimmel, vos, bont etc. en de aftekeningen (witte vlekken) aan hoofd, benen en lichaam.

Slaap van een paard:

Een paard slaapt meestal hele korte slaapjes, ca. 20 minuten. Hij moest immers altijd paraat zijn om te kunnen vluchten. Daarnaast doezelt hij vaak. Tijdens het doezelen blijven de zintuigen echter actief, zodat hij kan reageren als dat nodig is.

Gemiddeld slaapt en doezelt een paard 6 tot 9 uur per etmaal, zowel overdag als ‘s-nachts. Je snapt dat het belangrijk is dat hij met soortgenoten is, die kunnen dan de wacht houden terwijl de andere rustig kan slapen.

Staan ze alleen, of met veel prikkels, dan kunnen paarden zelfs een slaaptekort krijgen.

Paarden slapen vaak staande, maar het is ook noodzakelijk dat ze lekker languit kunnen liggen.